Trend van libellen, 1991-2024
Libellen zijn sinds 1999 aanvankelijk toegenomen in zowel de omvang van populaties als in geografische verspreiding. Maar vanaf 2008 is er een verandering te zien: de verspreiding is min of meer gestabiliseerd en de populatiegroottes nemen af. In 2024 kwam de populatietrend van libellen 28% lager uit dan in 2008.
Ontwikkeling vanaf 1999
Tussen 1999 en 2008 nam zowel de omvang van populaties als de verspreiding (zie tabblad ‘verspreiding’) van libellen toe. Deze groei is te zien bij vrijwel alle groepen libellen, zowel bij kenmerkende soorten van habitats (zie tabblad ‘per habitat’) als bij algemene soorten (zie tabblad ‘algemene soorten’).
Vanaf 2008 komt aan deze opwaartse trend een einde en volgt een periode van min of meer stabilisatie in verspreiding en een afname in populatiegroottes.
Oorzaken van de toename tot 2008
Veel soorten libellen hebben vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw geprofiteerd van de grootschalige verbeteringen in de waterkwaliteit, met name dankzij verbeterde rioolwaterzuiveringen en afname van meststoffen in het oppervlaktewater. In dezelfde periode zijn de vennen, een belangrijk habitat voor bijzondere libellen, iets minder zuur geworden door afname van verzurende depositie (Van Dam & Mertens, 2008). Ten slotte spelen natuurvriendelijker inrichting van oevers en beekherstelprojecten een positieve rol.
De verbetering van de waterkwaliteit is in deze periode ook te zien aan bijvoorbeeld een toename van watergebonden insecten (macrofauna) in beken en kanalen (Van der Lee et al., 2022.) en een toegenomen verspreiding van zoetwatervissen.
- Zuivering van stedelijk afvalwater
- Vermesting van oppervlaktewater
- Verzurende depositie
- Natuurkwaliteit van macrofauna in oppervlaktewater
- Trend van zoetwatervissen
Een omslagpunt rond 2008
Sinds 2008 neemt de gemiddelde populatiegrootte van libellen langzaam maar zeker af. Deze omslag rond 2008 zien we bij zowel de meest algemene soorten (van lichte toename naar afname), als bij de specialisten, zoals de libellen van stromend water (van toename naar stabilisatie) en de libellen van vennen en hoogveen (van toename naar afname). Ook bij de eerder genoemde zoetwatervissen en watergebonden insecten (macrofauna) in stromende wateren is een trendbreuk rond dit jaartal te zien. Becker et al. (2024) rapporteert voor schietmotten in Nederland een omslagpunt rond 2010.
Oorzaken van de afname vanaf 2008
Bij de libellen van vennen en hoogveen speelt opwarming door klimaatverandering en sinds 2018 ook verdroging een belangrijke rol. Dit blijkt uit het feit dat voornamelijk koudeminnende soorten als venglazenmaker, noordse glazenmaker en noordse witsnuitlibel afnemen. Zij hebben last van hittestress en raken in Nederland snel gebieden kwijt. Daarnaast zijn soorten als speerwaterjuffer en maanwaterjuffer populaties kwijtgeraakt doordat hun voortplantingswater is opgedroogd, bijvoorbeeld tijdens de droge zomers van 2018 en 2019. De laatste jaren zien we dat de achteruitgang bij veel van deze soorten snel gaat. Enkele soorten die eind vorige eeuw nog vrij algemeen waren, zoals venglazenmaker en maanwaterjuffer, hebben nog maar een paar populaties over.
Bij de libellen van stromend water zou de oorzaak kunnen zijn dat het niveau van de huidige drukfactoren (bijvoorbeeld organische belasting, eutrofiëring, toxische stoffen) niet voldoende is teruggedrongen om een verdere toename mogelijk te maken. Daarnaast vormt klimaatverandering een toenemende drukfactor, aangezien dit leidt tot toenemende droogval van beken, meer extreme piekafvoeren en hogere temperaturen.
De achteruitgang van algemene soorten
Vanaf 2008 gaan ook algemene soorten, zoals het lantaarntje, langzaam maar zeker achteruit. De gemiddelde populatiegrootte van de vijftien meest wijdverspreide soorten van Nederland zijn ten opzichte van 1999 verminderd met 15%. Ook in de verspreidingstrend is deze achteruitgang significant, wat betekent dat algemene soorten lokaal zelfs verdwijnen. De daling wordt waarschijnlijk niet verklaard door de temperatuursvoorkeur van deze soorten want de groep bestaat uit meer warmteminnende (5) dan koudeminnende (0) soorten (zie ook volgende paragraaf).
Aanvankelijk werd gedacht dat toegenomen concurrentie met of predatie door andere soorten die profiteren van waterkwaliteitsverbetering en klimaatverandering een rol zou spelen (Termaat et al. 2015), maar de huidige afnames en het lokaal volledig verdwijnen van algemene soorten is een raadsel. Mogelijk speelt hier een opstapeling van toxische stoffen een rol. Uit recent Nederlands onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat lantaarntjes zeer gevoelig zijn voor geringe concentraties thiacloprid, een insecticide die sinds 2020 verboden is, maar nog steeds her en der wordt aangetroffen (Barmentlo et al., 2019).
De rol van klimaatverandering
Libellen zijn koudbloedige dieren die in veel gevallen profiteren van warmere zomers. Door hun mobiliteit kunnen libellen relatief snel (in vergelijking tot andere insectensoorten) de door klimaatverandering geschikt geworden gebieden koloniseren. Warmteminnende soorten, met een meer zuidelijke verspreiding, zijn sinds 1999 met gemiddeld 5% per jaar in aantal toegenomen. Deze sterke opmars is een fenomeen dat ook op een veel grotere, Europese schaal optreedt (Termaat et al., 2019). Koudeminnende soorten, met een meer noordelijke verspreiding, raken daarentegen snel leefgebied kwijt. In Nederland is deze groep sinds 1999 met gemiddeld 5% per jaar in aantal achteruit gegaan.
Ontwikkeling in langjarig perspectief
Tussen de periode 1850-1950 en 1976-1990 zijn libellen gemiddeld afgenomen in verspreidingsgebied. Na de periode 1976-1990 zijn libellen gemiddeld weer sterk in verspreiding toegenomen, en dat geldt vooral voor de libellen van stromend water. Deze trendontwikkeling is afgeleid uit historische waarnemingen waarmee de grootte van het verspreidingsgebied per libellensoort grofweg kon worden geschat per periode. Het gaat dan om het aantal bezette 5x5 kilometerhokken per soort (Van Strien & Van Grunsven, 2023).
Habitatrichtlijn
Negen soorten libellen staan op de Habitatrichtlijn.
Bronnen
- Barmentlo S.H., Vriend L.M., Van Grunsven R.H.A., Vijver M.G., Environmental levels of neonicotinoids reduce prey consumption, mobility and emergence of the damselfly Ischnura elegans. J of Applied Ecology 56 (8): 2034 – 2044 (2019).
- Becker, E., Vonk, J. A., Van Kouwen, L. A., Verdonschot, P. F., & Kraak, M. H. (2024). Species specific responses to stressors hamper Trichoptera recovery. The Science of the Total Environment, 945, 173992. https://doi.org/10.1016/j.scitotenv.2024.173992
- Dam, H. van & A. Mertens (2008). Vennen minder zuur maar warmer. H2O 41 (12): 36-39.
- Strien, A.J. van & R.H.A. van Grunsven (2023). In the past 100 years dragonflies declined and recovered by habitat restoration and climate. Biological Conservation 277, 109865.
- Termaat, T., van Grunsven, R.H.A., Plate, C.L. & van Strien, A. (2015). Strong recovery of dragonflies in recent decades in The Netherlands. Freshwater Science 34 (3): 1094 - 1104.
- Termaat T., van Strien A.J., van Grunsven R.H.A., De Knijf G., Bjelke U., Burbach K., Conze K.-J., Goffart P., Hepper D., Kalkman V.J., Motte G., Prins M.D., Prunier F., Sparrow D., van den Top G.G., Vanappelghem C., Winterholler M. & WallisDeVries M.F. (2019). Distribution trends of European dragonflies under climate change. 25 (6): 936-950.
- Van Der Lee, G., Verdonschot, R., & Verdonschot, P. (2022). Tijdreeksanalyse van de macrofauna op langjarige meetpunten in stromende wateren, sloten en kanalen. https://doi.org/10.18174/570855
Relevante informatie
Technische toelichting
- Naam van het gegeven
Trend van libellen
- Omschrijving
Ontwikkelingen in verspreiding en aantallen van libellen als groep.
- Verantwoordelijk instituut
Centraal Bureau voor de Statistiek
- Berekeningswijze
Soortenselectie en data
Sinds 1998 worden libellen tweewekelijks geteld op vaste routes, als onderdeel van het NEM Meetnet Libellen. Per soort zijn jaarlijkse indexcijfers over populatie-aantallen bepaald met Poisson regressie (methode indexcijfers, TRIM). Daarmee kan voor ieder jaar een populatie-index worden berekend op basis van 47 soorten libellen. Samen maken zij ca. 95% uit van de totale libellenbiomassa in Nederland.
Verspreiding
Verspreidingsgegevens komen uit de Nationale Databank Flora en Fauna en uit het NEM Meetnet Libellen. Daarmee zijn per soort jaarlijkse indexcijfers over verspreiding (het aantal bezette kilometerhokken) bepaald met behulp van occupancy modellen (Van Strien et al., 2013). De indicator bevat 64 soorten, ofwel, vrijwel alle soorten van Nederland.
Berekening groepsindicator (multi-species indicator, MSI)
De volgende stappen worden doorlopen om tot groepsindexen te komen. De indexen per soort worden daarbij aangepast, maar alleen gedurende het berekenen van de groepsindexen.
1. Van de indexen per soort wordt het maximum van de tijdreeks op 100 gezet. Bij soorten die gedurende de tijdreeks zowel in hele lage als hele hoge absolute aantallen voorkomen wordt op deze manier – in combinatie met het instellen van een minimum indexwaarde van 1 - vermeden dat een toename van 1 naar 2 individuen eenzelfde effect op de indicator heeft als een toename van 1000 naar 2000 individuen.
2. Als er van een soort in de eerste jaren geen indexcijfers beschikbaar zijn dan worden deze eerst met een kettingmethode afgeleid uit de indexcijfers van andere soorten. Voor aantal nieuwkomers soorten zijn ontbrekende indexcijfers in de eerste jaren het gevolg van het niet voorkomen van de soort. Deze jaren zijn als harde nul ingevuld. Het gaat om de volgende soorten met aangegeven het jaar van het eerst verschijnen in Nederland: gaffelwaterjuffer (2003), kleine tanglibel (1996), gaffellibel (1995), zuidelijke glazenmaker (1994), zuidelijke keizerlibel (1997), zuidelijke oeverlibel (1995), vuurlibel (1995), zwervende heidelibel (1995), zuidelijke heidelibel (2004) en bandheidelibel (1994).
3. Vanwege de onmogelijkheid meetkundig te middelen wanneer de waarde 0 deel uitmaakt van de verzameling, worden indexcijfers van 0 opgehoogd naar 1. Indexcijfers die vallen tussen 0 en 1 worden eveneens opgehoogd naar 1.
4. Grote populatietoenamen of -afnamen van het ene jaar t.o.v. het jaar ervoor komen van nature wel eens voor. Om de invloed van al te extreme toe- of afnamen van een soort op de indicator van een hele groep enigszins te temperen wordt, conform de methode van de mondiale Living Planet Index, een maximum gesteld aan de relatieve jaar-op-jaar toe- of afname van een factor 10.
5. Om de groepsindicator te berekenen worden de (bewerkte) jaarlijkse indexcijfers meetkundig gemiddeld over alle soorten in de groep (Van Strien et al., 2016). Meetkundig middelen betekent dat een halvering van de populatiegrootte van een soort wordt gecompenseerd door de verdubbeling van die van een andere soort.
6. Door de gemiddelde indexen is een flexibele trend berekend met een 95% betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaarheidsinterval is gebaseerd op de betrouwbaarheid van de indexcijfers van de afzonderlijke soorten (Soldaat et al., 2017). In de jaren waarin veel soorten ontbreken is de indicator minder betrouwbaar, maar de omvang van deze onbetrouwbaarheid is onbekend.
Een breed betrouwbaarheidsinterval betekent dat er enkele of meerdere soorten zijn met minder betrouwbare indexcijfers (grote standaardfouten). Daardoor zal ook het jaarcijfer van de indicator minder betrouwbaar zijn en is het precieze verloop van de trendlijn minder goed te bepalen.
Een smal betrouwbaarheidsinterval betekent dat de indexcijfers van de meeste soorten heel betrouwbaar zijn (kleine standaardfouten). Ook indexcijfers van soorten die sterke jaar-op-jaar schommelingen vertonen, kunnen heel betrouwbaar zijn.
Uit de trendschattingen en betrouwbaarheidsintervallen daarvan zijn trendklassen afgeleid.
7. De trendlijn wordt herschaald zodat de trend in het beginjaar (of een ander gekozen jaar) op 100 staat.
Rode Lijst Indicator
De Rode Lijst Indicator is gebaseerd op het aantal soorten op de Rode Lijst per jaar (RLI-Lengte). De variant RLI-kleur telt ook de verschuivingen tussen de categorieën op de Rode Lijst mee (Van Strien et al., 2014). Hoe hoger de indexwaarde, hoe langer (RLI-lengte) of hoe roder (RLI-kleur) de Rode Lijst is. Bij een langere Rode Lijst worden meer soorten bedreigd in hun voortbestaan, een ‘rodere’ Rode Lijst duidt erop dat de mate waarin soorten bedreigd worden gemiddeld is toegenomen.
- Basistabel
De indexen van de afzonderlijke soorten met hun trendklasse staan onder het tabblad afzonderlijke soorten onder download data.
- Geografische verdeling
Nederland
- Andere variabelen
Geen
- Verschijningsfrequentie
Jaarlijks
- Achtergrondliteratuur
CBS (2025). Meetprogramma’s voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2024. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.
Soldaat, L., J. Pannekoek, R. Verweij, C. van Turnhout en A. van Strien (2017). A Monte Carlo method to account for sampling error in multi-species indicators. Ecological Indicators 81: 340-347.
Strien, A.J. van, C.A.M. van Swaay en T. Termaat (2013). Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology 50: 1450-1458.
Strien, A.J. van, et al. (2016). Modest recovery of biodiversity in a western European country: The Living Planet Index for the Netherlands. Biological Conservation 200: 44-50.
Strien, A.J. van & R.H.A. van Grunsven (2023). In the past 100 years dragonflies declined and recovered by habitat restoration and climate. Biological Conservation 277, 109865.
Szabo, J.K., Vesk, P.A., Baxter, P.W.J. en Possingham, H.P. (2010). Regional avian species declines estimated from volunteer-collected long-term data using List Length Analysis. Ecological Applications 20: 2157-2169.
- Opmerking
In 2025 (v20) is een populatietrend voor 47 soorten toegevoegd aan de CLO-indicator, en is één soort toegevoegd aan de verspreidingstrend. Ook is een populatietrend ontwikkeld voor de 15 meest algemene soorten
In 2024 (v19) zijn zes soorten toegevoegd aan de berekening van de verspreidingstrend. Daarnaast heeft er een actualisatie plaatsgevonden van de typische soorten per habitat.
- Betrouwbaarheidscodering
C. Schattingen van de trends in verspreiding zijn gebaseerd op niet-gestandaardiseerde metingen die met een geavanceerde statistische methode zijn geanalyseerd.
Archief van deze indicator
Bekijk meer Bekijk minder
Referentie van deze webpagina
CLO (2025). Trend van libellen, 1991-2024 (indicator 1387, versie 20, ), www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen.